LB Samenvatting Over Wondere Feiten H4 (2)

Over wondere feiten

 

H4
Franse filosoof Blaise Pascal (1623-1662): “De mens is zwak als een riet, maar hij is een denkend riet. Om de mens te verpletteren hoeft het heelal geen wapens te hebben: wat damp of water is voldoende om hem te doden. Maar zelfs als het heelal hem zou verpletteren, dan nog zou de mens groter zijn dan wat hem doodt. Hij weet namelijk dat hij sterft en dat het heelal sterker is dan hij, maar het heelal zelf heeft daar geen weet van.”

Rond 1900 ontwikkelde de psychologie (= zielkunde) zich tot een vakwetenschap die de verschijnselen van het menselijke bewustzijn en gedrag bestudeert.
Een psychiater (iatros=arts) houdt zich bezig met ziekten van de geest en met persoonlijkheids- en gedragsstoornissen.

Griekse filosoof Plato (424-347 v.c.j.) zag de mens als een twee-eenheid van lichaam en ziel, waarbij de ziel de kern of het wezenlijke is van het mens-zijn. Deze is onsterfelijk en bestond al voor de geboorte van de mens. Na de dood keert de ziel terug naar de eeuwige, geestelijke wereld.

Volgens Aristoteles hebben ook dieren een ziel. Mensen hebben als enige wezens een geest die hen in staat stelt tot geestelijke activiteiten (bv denken).

Bron blz 48: Plato (links) wijst naar de hemel omdat de ziel daar na de dood terugkeert. Aristoteles (rechts) wijst daarentegen naar de aarde.

Menselijke brein is superieur aan alle dieren. Zonder fysiek brein is er helemaal geen geestelijke activiteit mogelijk ↔ Plato, eeuwige ziel in een tijdelijk lichaam

Frans de Waal: gedragsonderzoeker (etholoog) → het gedrag van mensenapen ‘wordt gedreven door intelligentie en emoties’. In zijn boek De aap en de filosoof stelt de Waal dat empathie en moraliteit al voorkomen bij dieren, voordat de eerste mensen op aarde verschenen. Wederkerig moreel gedrag is dus geen gevolg van menselijke cultuur/religie.

Geen enkel onderzoek zal van een bepaald hersengebied kunnen zeggen dat daar de ziel van een mens zetelt, ziel = ons ‘diepste zelf’. Bezieling (geestdrift) als de stuwende kracht, de diepe motivatie achter veel wat we doen.

De ogen zijn de spiegels van de ziel = door in iemands ogen te kijken kan je zien wat iemand voelt

→ ziel: gevoel

Er was geen levende ziel te bekennen = er was niks/niemand in de omgeving

→ ziel: wezen dat ademt

Die opmerking snijdt mij door de ziel = die opmerking doet pijn

→ ziel: hart

Hij loopt met zijn ziel onder de arm = geen doel voor ogen, doelloos, rond slenterend

→ ziel: ziel hangt samen met gevoel persoon

Hoe meer zielen, hoe meer vreugd = hoe meer mensen, hoe meer vreugde

→ ziel: mensen

De Griekse arts Hippocrates (460-370 v.c.j.) zag verband tussen lichamelijke eigenschappen en karaktertrekken: iemands karakter en temperament zouden bepaald worden door in het lichaam aanwezige sappen of vloeistoffen (humor = vocht, humeur).
→ 4 lichaamssappen: zwarte gal, gele gal, slijm en bloed. Wanneer een van deze buiten verhouding aanwezig is, leidt dat tot typerende eigenschappen of temperamenten

eeuwenlang hebben artsen en wetenschappers de volgende indeling gehanteerd voor het beschrijven van de karakters van mensen:
a melancholisch → zwarte gal overheerst (Grieks: melas cholè): zwaarmoedig en somber
b cholerisch → gele gal overheerst (cholè): druk, opvliegend en zeer actief
c flegmatisch → slijm overheerst (flegma): rustig, kalm en reageert vaak onbewogen
d sanguinisch → bloed overheerst (Latijn: sanguis): opgewekt en vrolijk maar oppervlakkig

drie stromingen in de psychologie:

Stroming A: de psychoanalyse
Weense psychiater (zenuwarts) Sigmund Freud (1856-1939), studie geneeskunde en daarna neuroloog. Hij ontwikkelde door middel van bestudering van de effecten van hypnose en het analyseren van dromen zijn psycho-analytische theorie: een centrale plaats toekennen aan de onbewuste drijfveren van het menselijk gedrag en handelen

In 1899 verscheen Die Traumdeutung, waarin hij de relatie beschrijft tussen het onbewuste van een mens en de inhoud van zijn dromen

Freud ziet menselijk lichaam en de menselijke geest als twee-eenheid, die ‘gestuurd’ wordt door diepe, onbewuste drijfveren (Triebe).

  • belangrijkste = levensdrift (Eros): stuurt het gedrag vanaf je geboorte zo, dat de wil tot in leven blijven alle andere motieven overheerst. Deze drijfveer is al te zien bij pasgeborenen: alleen gericht op eten en zich prettig voelen. Tijdens opgroeien seksuele lust voor voortplanting en het doorgeven van het leven is. Het geslachtsrijp worden is een belangrijk moment in de biologische en psychologische ontwikkeling van jonge mensen.

De persoonlijkheid is nog niet aanwezig bij een kind, de ontwikkeling vindt plaats in een voortdurende wisselwerking met de sociale omgeving, waarvan de opvoeders groot deel uitmaken.

Drie terreinen van de menselijke psyche:

  • Es (Latijn: Id, het Onbewuste) → meest primitieve deel en komen alle instincten en drijfveren uit voort die een mens vanaf de geboorte heeft, zijn onbewust de belangrijkste krachten uit ons denken en doen
  • Ich (Latijn: Ego, het Bewuste ik) → komt in ontwikkeling als een kind begint te beseffen dat het iemand is doordat in de opvoeding de drijfveren van Es botsen met realiteit van de omgeving, leert ook omgaan met drijveren uit het Es en eisen die de omgeving stelt aan gedrag
  • Über-Ich (Latijn: Super-ego, het Geweten) → ontwikkelt zich ongeveer vanaf het 3e levensjaar en leert onderscheiden tussen wat wel en niet mag, ontwikkelt een geweten en werkt dus als ‘inwendige-rechter’ met als resultaat een goed of slecht geweten

 

Stroming B: het behaviorisme
In V.S. in begin 20e eeuw ontwikkeld door J.B. Watson en vooral B.F. Skinner, is een reactie op de psychoanalyse. Het behaviorisme richt zich alleen op het zichtbare, zintuigelijk waarneembare gedrag. Drijfveren worden dan ook ‘black box’ genoemd.

Het gedrag van een kind wordt in de loop van de tijd ‘geconditioneerd’ . Opvoeders hebben ervoor gezorgd dat iemand weet hoe zich te gedragen en dat is ontwikkeld door aangeleerde reflexen en reacties op prikkels. Stimulus = prikkel van buiten en response = reactie of reflex. Skinner beschouwt het menselijk gedrag als het resultaat van S(timulus)-R(esponse)-trainingen. Bij beloning wordt er een bepaald gedrag herhaald en het zal doelgerichter worden.

Bij straffen wordt een bepaald gedrag niet herhaald, maar het is de vraag of er ander gedrag in plaats komt. Belonen is dus effectiever dan straffen en zo worden dieren afgericht en mensen opgevoed.

Behavioristen zijn optimistisch over de mogelijkheden die opvoeding en onderwijs bieden: “men are not born but built” (=kern). Je kan dus elk mens trainen voor het gewenste gedrag en als kinderen de juiste prikkels, nodige training en gewoontevorming krijgen, worden ze volwassenen ‘gemaakt’.

Stroming C: de cognitieve psychologie

Ongeveer vanaf wereldoorlog II kwam ‘kunstmatige intelligentie’ op en waren er ontwikkelingen zoals informatie- en computertechnologie. De psychologen van deze stroming wilden weten welke processen zich in de hersenen afspeelden als een mens iets leerde → breuk met eerdere stromingen. Psychoanalyse: theorieën over het onbewuste en daarin gewortelde drijfveren als onwetenschappelijk beschouwd. Behaviorisme: juist wel van belang werd gevonden om de processen in het brein te bestuderen.

Doel: het beschrijven hoe de cognitieve functies van de mens zich in de hersenen afspelen. Uitgangspunt bij onderzoek naar processen in het menselijk brein: “the mind is wat the brain does”. Menselijk gedrag, gevoelens en emoties worden bepaald door informatieverwerkende capaciteiten van het brein, als je begrijpt hoe mensen waarnemen en denken begrijp je de ‘motor’ van hun gedrag, handelingen en emoties.

De structuur in iemands denkwijze of zijn benadering van personen bepaalt voor een groot deel de manier waarop hij anderen ervaart en met hen omgaat. Je denken over jezelf bepaalt ook je gevoelens en gedrag.

Belangrijk terrein: werking van het geheugen en het (leren) oplossen van complexe problemen. Hoe verschillend die mentale processen bij lerende mensen zijn, wordt duidelijk bij het oplossen van vraagstukken.

Freud vroeg zich af wat de mensen bezielde om iets te geloven, waarvan nooit bewezen is dat het bestaat. Hij kwam tot de conclusie dat religie de mens vertroostende illusies voorhoudt en dat de gelovigen daardoor hun leven beter aandurven

→ god als beschermende vader: echo van hun kindertijd, kind heeft vaak behoefte aan bescherming en veiligheid tegen boze bedreigende wereld en is dus de basis van het vertrouwen van volwassenen in een vaderlijke god, die zelfs kan beschermen tegen de dood

Freud ziet religie als een vorm van collectieve neurotische waan waarmee de mens zijn angsten verdrijft. Zelfs de dood wordt geïdealiseerd met de belofte dat er in het hiernamaals een beter en eeuwigduren leven zal volgen.

Daarnaast is hij van mening dat godsdienst een ontsnappingsmechanisme is voor de mens die zijn volwassen verantwoordelijkheid niet aandurft en waardoor hij van zichzelf vervreemdt. In plaats van te vluchten in religie, zou de mens zich bewust moeten worden van zijn behoeften, angsten en verdrongen driften. Dan kan hij leren zichzelf te accepteren zoals hij is en zich bevrijden van een aangeleerd en opgelegd godsbeeld. Alleen dan wordt hij volwassen en zelfstandig.

Kortom godsdienst volgens freud:

  • vaderfiguur
  • verdrijven van angsten
  • ontsnapping verantwoordlijkheid

Carl Gustav Jung: leerling van Freud

→ eens: religie is een gevolg van projecties door de mens van voorstellingen en belevingen uit het onbewuste

→ oneens: Freud koppelt geloof en religie aan kinderlijke verlangens die niet passen bij volwassen mensen en Jung beklemtoont juist het belang van religie voor een psychisch gezond volwassen leven

Jung raakte gefascineerd door vele verhalen, mythen en rituelen die samenhingen met diverse culturen en religies en vergleek deze gegevens met de inhoud van dromen die zijn patiënten hem vertelden. Ook bekeek hij tekeningen die hij liet maken naar aanleiding van zijn dromen. Uit deze aspecten kwamen beelden naar voren die volgens Jung gemeenschappelijke kenmerken vertoonden → collectieve bron: het onbewuste van de mens, dat ontstaan is in de loop van de evolutie van het menselijke brein, bevat gemeenschappelijke ervaringen ban de mensheid als geheel: collectieve onbewuste. Hierin zijn de oerervaringen aanwezig in de vorm van beelden en symbolen: archetypen. Archetypen kunnen gezien worden als oer-moddelen die in mythen, legenden, sprookjes, dromen en visioenen worden ‘aangekleed’.

5 belangrijkste archetypen:

  • Persona → persoonlijkheid die zich toont in het openbaar
  • Zelf → je diepste persoonlijke zelf
  • Schaduw → duistere kant van je geest, die je onbewust verbergt
  • Animus → mannelijke deel van de geest, voor vrouwen onbewuste tegenpool
  • Anima → vrouwelijke deel, voor mannen onbewuste tegenpool

 

Het schilderij op blz 57 is van Allen Jones, die een nieuwe Pop Art fase begon in 1961. Jones is sterk beïnvloed door de psychologie van Jung en de filosofie van Nietzsche. Hij gelooft dat het scheppen van kunst afhangt van het vermogen van de kunstenaar om vrouwelijke en mannelijke elementen in zijn persoonlijkheid te integreren, hij was provocerend.

 

Uitspraken Freud:

  • De angsten van mijn patiënten hebben vaak te maken met hun beeld van god
  • Religie blokkeert een gezonde ontwikkeling van een mens
  • Het onbewuste van de mens is individueel en niet collectief

Uitspraken Jung:

  • Mensen delen met elkaar symbolen van een collectief onbewust leven
  • In mythen, sprookjes en dromen worden oerervaringen van de mensheid verbeeld
  • De bron van de religieuze oerervaring ligt in het collectief onbewuste
  • Het begrip individuatie is een wezenlijk onderdeel van mijn visie op het Zelf van de mens
  • Relegie is onlosmakelijk verbonden met het menselijke zelf

 

Uitspraken beiden:

  • Een kind ontwikkelt zich in interactive met zijn sociale omgeving
  • Het geloof in een vader in de hemel is slechts een illusie die troost bidet
  • In dromen komen allerlei onbewuste verlangens symbolisch naar boven
  • Een mens moet leren bemiddelen tussen eigen driften en de eisen van de samenleving

In alle religies komen verhalen voor over stichters/profeten die visioenen, dromen of een trance-toestand ervaren:

  • Mozes: ontmoeting met god eenzaam op een berg
  • Siddharta Gautama: kreeg in een trance onder een boom de verlichting
  • Paulus: zag een fel licht en hoorde de stem van jezus
  • Mohammed: hoorde stem van engel Gabriël in meditatie in een grot

De betrokken persoon raak ‘buiten zichzelf’ en ziet/hoort dingen die anderen niet kunnen waarnemen. Er komen ook religieuze ervaringen voor waarbij de persoon een diepe eenheid of verbondenheid ervaart met al het bestaande. Een veel voorkomend element in zulke ervaringen is, dat de grenzen tussen het ik, het heelal en God wegvallen, zodat alles in volmaakte harmonie is.

Theresa van Ávila was een mystica die in de 16e eeuw leefde en later heilig werd verklaard. Na 3 jaar schijndood te zijn geweest, genas ze op wonderbaarlijke wijze. Daarna had ze geregeld extatische mystieke ervaringen, waarin onder andere Jezus aan haar verscheen.

Het beeld is een werk van Bernini en staat in de basiliek van Santa Maria della Vittoria in Rome. Ze is uitgebeeld in een houding van mystieke extase toen de engel aan haar verscheen, haar hart met een lans doorboorde en haar achter liet ‘in vuur en vlam door Gods liefde’. De sensuele sfeer heeft voor veel aanstoot gezorgd.

Geef een reactie